Sterfelijke mens
"Waarlijk, de zonen
van de aardse mens zijn een ademtocht," (#Ps 62:9) Dood voor allen
De dood komt tot eenieder van ons en
er is geen ontsnappen aan.
De
Broeders in Christus geloven dat de dualistische opvatting dat de mens zou
bestaan uit een onsterfelijke ziel in een tijdelijk lichaam van de Griekse
filosofie afkomstig is en in strijd is met de Bijbel. Dit inzicht, dat direct
verband houdt met wat er bij de dood gebeurt, en vroeger fel bestreden werd,
wordt intussen door vele christenen gedeeld.
De mens in zijn totaliteit is
geheel sterfelijk en de enige hoop op eeuwig leven is gericht op de opstanding
van het lichaam bij Christus’ wederkomst.
Als wij beweren christenen te zijn behoren wij te
erkennen dat wij zondaars zijn en sterfelijk, zonder hoop op leven anders dan in
Christus: Mozes: “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”
(Genesis 3.1) De Psalmen: “Vertrouwt niet op edelen, op een mensenkind, bij
wie geen heil is; gaat zijn adem uit, dan keert hij
weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen” (Psalm
146.3,4) Jesaja: “Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid
als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af” ( Jesaja
40:6,7) Jacobus: “Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd
verschijnt en daarna verdwijnt” (Jacobus
4:14) Petrus: “Want alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als
een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af” (1 Petrus
1:24,25) De Bijbel maakt duidelijk dat wij sterfelijk zijn:
alleen wanneer wij dit erkennen kunnen wij waarlijk uitzien naar de behoudenis
die ons daarin wordt aangeboden. Ontslapen.
De
MenselijkeNatuur
De Broeders beschouwen de opgestane
zoon van God als Heer en als “de eersteling van hen, die ontslapen zijn” en
geloven dat zijn volgelingen pas “bij zijn komst” Gods gave van
onsterfelijkheid zullen ontvangen. Als dienaars van Hem moeten zij eerst voor
zijn rechterstoel rekenschap afleggen van hun levenswijze in de wereld. Zij
vertrouwen op zijn genade om op die dag zich te mogen bevinden onder diegenen
die “waardig gekeurd” zullen worden eeuwig leven te ontvangen om als
onsterfelijke vorsten en priesters een heilzame invloed te kunnen uitoefenen tot
zegen van de bewoners der aarde.
(#Isa 17:5-6) 5 Dit heeft
Jehovah gezegd: „Vervloekt is de fysiek sterke man die op de aardse
mens vertrouwt en die werkelijk vlees tot zijn arm stelt en wiens hart
zich van Jehovah zelf afkeert. 6 En hij zal stellig worden als een
eenzame boom in de woestijnvlakte en zal niet zien wanneer het goede
komt, maar hij moet in verschroeide plaatsen in de wildernis
verblijven, in een ziltachtig land dat niet bewoond is. (#Job 12:10 In wiens hand de
ziel is van al wat leeft En de geest van alle menselijk vlees? (#Ps 104: 29) Verbergt gij uw
aangezicht, zij raken ontsteld. Neemt gij hun geest weg, zij blazen de
laatste adem uit, En tot hun stof keren zij terug. (#Ec 8:8) Geen mens heeft macht
over de geest, om de geest tegen te houden; noch is er enige heersende
macht op de dag van de dood; noch is er enig verlof tijdens de oorlog.
En goddeloosheid zal geen ontkoming verschaffen aan hen die zich eraan
overgeven. (#Ps 90:3) Gij doet de
sterfelijke mens tot gruis terugkeren, En gij zegt: „Keert terug, GIJ
mensenzonen." (#Ec 3:20) Allen gaan naar één
plaats. Zij zijn allen uit het stof ontstaan, en zij keren allen tot
het stof terug. (#Job 34:15) Zal alle vlees te
zamen de laatste adem uitblazen, En de aardse mens, die zal regelrecht
tot het stof terugkeren. (#Job 14:10 Maar een fysiek
sterke man sterft en ligt overwonnen neer; En een aardse mens blaast de
laatste adem uit, en waar is hij? (#Job 17:11) Mijn eigen dagen
zijn voorbijgegaan, mijn eigen plannen zijn verscheurd, De wensen van
mijn hart. (#Ec 9: 4-6) 4 Want met
betrekking tot een ieder die met alle levenden verenigd is, bestaat er
vertrouwen, omdat een levende hond beter af is dan een dode leeuw. 5
Want de levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven; maar
wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust, ook
hebben zij geen loon meer, want de gedachtenis aan hen is vergeten. 6
Ook hun liefde en hun haat en hun jaloezie zijn reeds vergaan, en zij
hebben tot onbepaalde tijd geen deel meer aan iets wat onder de zon
moet worden gedaan. (#Ro 5:12) Daarom, zoals door
één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood,
en aldus de dood zich tot alle mensen heeft uitgebreid omdat zij allen
gezondigd hadden.
De Bijbel en de toekomst
Verlossing van zonde en dood
Gods strikte gerechtigheid maakte het voor de mensheid onmogelijk zelf in een loskoper te voorzien (Ps 49:6-9). Maar daardoor traden Gods liefde en barmhartigheid nog duidelijker aan het licht, want hij hield zich aan zijn eigen vereisten en betaalde een zeer hoge prijs door het leven van zijn eigen Zoon te geven om in de loskoopprijs te voorzien (Ro 5:6-8). Wilde deze Zoon met de volmaakte Adam overeenkomen, dan moest hij mens worden. God bewerkte dit door het leven van zijn Zoon vanuit de hemel naar de schoot van de joodse maagd Maria over te brengen (Lu 1:26-37; Jo 1:14). Aangezien Jezus’ leven niet afkomstig was van een menselijke vader die van de zondaar Adam afstamde, en aangezien Gods heilige geest Maria ’overschaduwde’ — kennelijk vanaf het tijdstip van de ontvangenis tot aan Jezus’ geboorte — werd Jezus geboren zonder dat er door overerving zonde of onvolmaaktheid aan hem kleefde en was hij als het ware „een onbesmet en onbevlekt lam”, welks bloed als offer aanvaardbaar was (Lu 1:35; Jo 1:29; 1Pe 1:18, 19). Tijdens zijn hele leven bleef hij zondeloos en diskwalificeerde zich derhalve niet (Heb 4:15; 7:26; 1Pe 2:22). Daar hij „aan bloed en vlees” deel had, was hij een naaste bloedverwant van de mensheid, en hij bezat datgene wat waardevol genoeg was om de mensheid terug te kopen of te bevrijden, namelijk zijn eigen volmaakte leven, dat hij ondanks beproevingen op rechtschapenheid rein had bewaard. — Heb 2:14, 15.
De christelijke Griekse Geschriften maken duidelijk dat de verlossing van zonde en dood inderdaad geschiedt door de betaling van een prijs. Van christenen wordt gezegd dat zij „met een prijs gekocht” zijn (1Kor 6:20; 7:23) en een „eigenaar [hebben], die hen heeft gekocht” (2Pe 2:1), en Jezus wordt voorgesteld als het Lam dat ’werd geslacht en dat met zijn bloed uit elke stam en taal en elke natie personen voor God heeft gekocht’ (Opb 5:9). In deze teksten wordt het werkwoord a·go·ra’zo gebruikt, dat eenvoudig „op de markt [a’go·ra] kopen” betekent. Paulus gebruikte het verwante woord e·xa·go·ra’zo (loskopen) om te tonen dat Christus door zijn dood aan de paal ’hen die onder de wet stonden, loskocht’ (Ga 4:5; 3:13). Maar de gedachte van loskoop of verlossing wordt vaker en vollediger tot uitdrukking gebracht door het Griekse woord lu’tron en verwante termen.
Lu’tron (van het werkwoord lu’o, dat „losmaken” betekent) werd door Griekse schrijvers speciaal gebruikt als zij doelden op de prijs die werd betaald om krijgsgevangenen los te kopen of slaven te bevrijden. (Vgl. Heb 11:35.) Op de twee plaatsen in de Schrift waar het voorkomt, wordt het gebruikt om te verklaren dat Christus ’zijn ziel als een losprijs in ruil voor velen’ heeft gegeven (Mt 20:28; Mr 10:45). Het verwante woord an·ti·lu’tron staat in 1 Timotheüs 2:6. In Parkhursts Greek and English Lexicon to the New Testament wordt over de betekenis ervan gezegd: „een losprijs, loskoopprijs, of veeleer een overeenkomstige losprijs”. Parkhurst citeert Hyperius als volgt: „Er wordt terecht een prijs door aangeduid waarmee gevangenen uit de hand van de vijand worden losgekocht; en dat soort van ruil waarbij het leven van de een wordt losgekocht met het leven van de ander.” Hij besluit met te zeggen: „Aristoteles gebruikt het werkwoord [an·ti·lu’tro·o] daarom voor het loskopen van leven met leven” (Londen, 1845, blz. 47). Christus heeft zich dus „als een overeenkomstige losprijs voor allen” gegeven (1Ti 2:5, 6). Andere verwante woorden zijn lu·tro’o·mai, „door losprijs bevrijden” (Tit 2:14; 1Pe 1:18, 19), en a·po·lu·tro’sis, „verlossing door losprijs” (Ef 1:7, 14; Kol 1:14). Deze woorden worden op soortgelijke wijze gebruikt als de hierboven beschouwde Hebreeuwse termen. Ze beschrijven niet een gewoon kopen of bevrijden, maar een verlossing of een loskoop, een bevrijding door het betalen van een overeenkomstige prijs.



