Jezus maakte duidelijk dat hij moest
sterven om ’s mensen redding te bewerkstelligen. Zijn dood was echter niet het
gevolg van zwakheid van zijn zijde ten opzichte van zijn vijanden, maar veeleer
van zijn aanvaarden van de goddelijke wil (Hebreeën 10:7). Jezus zei: „Daarom
heeft de Vader mij lief, omdat ik afstand doe van mijn ziel, opdat ik ze wederom
moge ontvangen. Niemand heeft ze mij afgenomen, maar ik doe er uit eigen
beweging afstand van.” (Johannes 10:17, 18).
Zou God toelaten dat de getrouwe Jezus
voor eeuwig in de dood zou slapen? Natuurlijk niet! God had beloofd dat ’hij die
jegens hem loyaal was’, niet dood zou blijven (Psalm 16:10). De joden dachten
dat zij door Jezus te doden voor altijd van hem af zouden zijn, maar op de derde
dag wekte God hem uit de dood tot leven op en verhief hem later tot de hemel.
(Handelingen 2:32, 33).
Vindt u het vreemd dat Christus moest
sterven? Zelfs Petrus, een van Jezus’ discipelen, maakte bezwaar tegen deze
gedachte (Mattheüs 16:21-23). Het was duidelijk dat hij niet volledig begreep
wat Gods voornemen met Jezus was. Daarom zei Jezus, toen Petrus hem overijld met
een zwaard wilde verdedigen: „Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen
die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan. Of denkt gij dat ik
geen beroep op mijn Vader kan doen om mij op dit ogenblik meer dan twaalf
legioenen engelen ter beschikking te stellen? Hoe zouden in dat geval de
Schriften worden vervuld, dat het aldus moet geschieden?” (Mattheüs 26:52-54)
Wat moest er volgens de Schriften plaatsvinden?
Meer dan 700 jaar voor Jezus’ geboorte
had Jehovah bij monde van de profeet Jesaja over hem gesproken als „mijn
knecht”. Hij vergeleek hem met „een schaap [dat] ter slachting [wordt] geleid”
en zei dat hij als „een schuldoffer” gegeven zou worden. Vervolgens zou God hem
belonen „ten gevolge van het feit dat hij zijn ziel zelfs in de dood heeft
uitgestort . . . en hijzelf droeg van velen de zonde, en voor de overtreders
ging hij bemiddelen”. (Isa 52:13–53:12).
In Daniëls profetie, die de tijd van
Christus’ verschijnen onthulde, sprak God eveneens over een ’verzoening voor
dwaling’ die de overtreding, of de zonde, zou doen eindigen. God maakte verder
bekend dat Christus „afgesneden” (gedood) zou worden en de noodzaak van
slachtoffer en offergave zou doen ophouden. (Daniël
9:24-27).
Maar wat is Gods wil voor ons? „God
beveelt zijn eigen liefde jegens ons hierin aan, dat Christus voor ons is
gestorven terwijl wij nog zondaars waren”, zeggen de Heilige Geschriften. Dit
gebeurde opdat een ieder „die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden,
maar eeuwig leven zou hebben” (Romeinen 5:8; Johannes 3:16). God wil dat wij
voor eeuwig in het Paradijs leven. Wat dienen wij dankbaar te zijn jegens
Jehovah, die zoveel liefde heeft getoond door in dit grootste en kostbaarste
zoenoffer te voorzien!
Waartoe dient dit ons te bewegen? De Geschriften zeggen: „Want de liefde die de Christus heeft, dringt ons . . . Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor hen gestorven is en werd opgewekt” (2 Korinthiërs 5:14, 15)


