“Als uw dagen voleind
zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen
en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van
mijn naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal
hem tot vader zijn en Hij zal mijn zoon zijn. Als hij de verkeerde weg opgaat,
zal Ik hem kastijden met slagen en striemen, even goed als andere mensen. Maar
nooit zal Ik hem uit mijn gunst verstoten, zoals Ik gedaan heb met Saul, die Ik
verstoten hem om plaats te maken voor u. Zo zullen uw huis en uw koninklijke
macht bestendig zijn voor altijd; uw troon staat vast voor eeuwig.’ Al deze
woorden, heel dit visioen, bracht Natan over aan David. Toen ging koning David
het heiligdom binnen; hij zette zich neer voor Jahwe en zei: ‘Wie ben ik, Heer
Jahwe, en wat is mijn huis, dat Gij mij zover gebracht hebt? En nu is U dit
alles nog niet genoeg, Heer Jahwe: ook over de toekomst van het huis van uw
dienaar spreekt Gij. Is dit voor een mens wel weggelegd, Heer Jahwe? Wat kan
David nu verder nog tot U zeggen? Gij weet wat er in uw dienaar omgaat, Heer
Jahwe!” (2Sa 7:12-20 WV78)
Jehovah spreekt niet dat Hij zal komen, maar dat
Hij iemand zal sturen. Jezus is diegene die door JHWH naar de aarde gezonden
is.
“Zeg dan tot hem: Zo
spreekt Jahwe van de machten: Daar is de man die de telg heet; hij schiet omhoog
waar hij is en hij bouwt de tempel van Jahwe. Hij bouwt niet alleen de tempel
van Jahwe, maar hij zal ook met luister bekleed worden en als heerser zetelen op
zijn troon. Ook een priester zal zetelen op zijn troon en er zal vrede zijn
tussen die twee. Wat de kroon betreft, hij zal ter ere van Cheldai, Tobia,
Jedaja en de welwillende zoon van Sefanja als aandenken in de tempel van Jahwe
blijven. Mensen uit verre landen zullen komen en meebouwen aan de tempel van
Jahwe. En gij zult weten, dat Jahwe van de machten mij tot u gezonden heeft. Dit
zal geschieden, wanneer gij nauwlettend luistert naar de stem van Jahwe, uw
God.” (Zac 6:12-15 WV78)
JHWH heeft het duidelijk over een man
die zal komen.
Die man zal naast het Koningschap
(#Jer 23:5-6) ook dienaar zijn (#Zec 3:8) die nog zal ontluiken
(#Isa 4:2), terwijl God er was van het begin in al Zijn volheid, zou Jezus
opgroeien als kind dat ook de dingen van de dag moest leren en zich houden aan
de regels van de mensen. Het is pas bij het doopsel dat Christus tot de volheid
van prediker in de Naam van Zijn Vader komt. dan openbaart God ook deze Zoon van
Hem als de uitverkorene.
“Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in
gebed was, geschiedde het dat de hemel openging en de heilige Geest, in
lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neerdaalde, en een stem uit de
hemel sprak: ‘Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen
gesteld.’” (Lu 3:21-22 WV78)
Hier ook weer stelt JHWH de mens en neef van Johannes de Doper
voor als Zijn Zoon en niet als een verpersoonlijking van
Jehovah (Hemzelf).