14 „Keer toch terug, o Israël, tot Jehovah, uw God, want gij zijt gestruikeld in uw dwaling. 2 Neemt woorden met U en keert terug tot Jehovah. Zegt tot hem, GIJ allen: ’Moogt gij dwaling vergeven; en aanvaard wat goed is, en wij willen als tegenprestatie de jonge stieren van onze lippen offeren. 3 Assyrië zelf zal ons niet redden. Op paarden zullen wij niet rijden. En niet meer zullen wij tot het werk van onze handen zeggen: „O onze God!", want door u wordt een vaderloze jongen barmhartigheid betoond.’ (NWV)
“(14:3) Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot Jahwe en zeg Hem: ‘Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven.” (Hos 14:2 WV78)"14 Want gijzelf hebt moeite en kommer gezien. Gij blijft toezien, om [ze] in uw hand te krijgen. Aan u vertrouwt de ongelukkige, de vaderloze jongen, [zich] toe. Gijzelf zijt [zijn] helper geworden. (Ps 10:14)
“Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen.” (Mic 7:18-19 WV78)


